Pijlstormvogels raken een beetje van koers wanneer hun inwendige klok achterloopt op de zon
Twintig jaar GPS-gegevens van meer dan duizend zeevogels tonen dat snelle vluchten over lengtegraden hun zonnekompas ontregelen, zo blijkt uit een studie van de universiteit van Oxford.
Zeevogels die snel van west naar oost vliegen, kunnen last krijgen van een soort jetlag die hen van hun route doet afwijken. Dat blijkt uit onderzoek van de universiteit van Oxford naar de Noordse pijlstormvogel, dat donderdag verscheen in het vakblad Science, melden The Guardian en de Amerikaanse publieke omroep NPR. Volgens de persdienst EurekAlert analyseerden de onderzoekers GPS-gegevens van 1.045 wilde vogels. De Guardian schrijft dat de metingen twintig jaar beslaan.
Pijlstormvogels brengen het grootste deel van hun leven op zee door en broeden elk jaar in holen op eilanden voor de westkust van Groot-Brittannië. Terwijl de ene partner het ei bebroedt, zoekt de andere tot twee weken lang voedsel, vaak honderden kilometers verderop boven de Atlantische Oceaan, legt NPR uit. Om de weg terug te vinden gebruiken de vogels de zon als kompas. Dat werkt alleen als hun inwendige klok weet hoe laat het is, want de zon verschuift in de loop van de dag aan de hemel. Zonsopgang en zonsondergang houden die klok normaal gelijk met de plaatselijke tijd.
Bij de snelle terugvlucht naar het oosten liep de inwendige klok van de vogels tot ongeveer een uur achter op de plaatselijke tijd, zegt hoofdonderzoeker Patrick Lewin in The Guardian. Daardoor schatten ze de stand van de zon verkeerd in en weken ze voorspelbaar af, met volgens de Guardian hooguit zowat vijftien graden. De afwijkingen passen volgens de studie beter bij fouten in het zonnekompas dan bij veranderingen in het magnetisch veld van de aarde. Opvallend is dat de fout ook optrad wanneer de vogels een kustlijn volgden die hen houvast had kunnen geven.
Voor volwassen vogels zijn de gevolgen klein, omdat ze onderweg bijsturen: Lewin rekent op ongeveer vijf kilometer extra op een tocht van duizend kilometer. Jonge vogels die voor het eerst trekken, kunnen volgens hem wel honderden kilometers van koers raken, omdat ze nog geen innerlijke kaart hebben om zich te heroriënteren. Een Britse bioloog die niet bij de studie betrokken was, zegt in The Guardian dat het onderzoek bij wilde dieren bevestigt wat gecontroleerde experimenten al lieten zien. Volgens EurekAlert kan hetzelfde verschijnsel ook andere trekdieren treffen die snel lengtegraden oversteken.